Ongeveer gelijktijdig met het nieuws dat 10 oktober 2010, ondanks de demissionaire status van het Nederlandse kabinet, toch niet helemaal is uitgesloten, wordt Curaçao er weer op gewezen dat het eiland kwetsbaar blijft voor zaken die de bewoners niet helemaal zelf in de hand hebben.
Zo valt de BOO-centrale uit en ligt een van de vier grootste sectoren - de olieraffinage - gedurende langere periode plat. En als de Venezolaanse regering chartervluchten naar Curaçao verbiedt, zakt het toerisme in een bepaalde maand direct met de helft weg, zoals in december het geval was toen het aantal verblijfstoeristen met 47 procent daalde. Gelukkig komen de toeristen die Curaçao bezoeken niet uit één specifiek land of werelddeel, maar gaat het grofweg om drie grote toeristenmarkten: behalve Venezuela zijn dat Amerika, maar vooral Nederland. Ook vanuit dit laatste land echter zag Curaçao in de laatste maand van 2009 voor het eerst sinds lange tijd géén groei. Bovendien is duidelijk dat mede door de internationale crisis, de toeristen die nog wel komen, een stuk korter blijven: het aantal overnachtingen is vorig jaar met bijna een tiende gedaald, terwijl er spoedig nog wel 350 luxe kamers van Hyatt bijkomen.
Het bewijst maar weer eens hoe belangrijk het is om niet op één paard te wedden. Dat geldt voor de situatie binnen één sector, waardoor het van belang is om bijvoorbeeld het toerisme te diversifiëren. Maar dat is vooral ook van toepassing op de economie als geheel. Het blijft daarom van belang om op meerdere sectoren te kunnen terugvallen. Hoewel de raffinaderij steeds controversiëler wordt, dient dit aspect óók meegenomen te worden in een discussie over de toekomst van Curaçao zónder Isla. Het staat buiten enige discussie dat bij behoud van de raffinaderij deze uiteraard wél dient te voldoen aan tenminste de geldende lokale normen, maar ook aan de normen die de internationale gemeenschap aan fabrieken stelt. Curaçao moet het blijven hebben van zijn centrale en geografisch gunstige ligging. Op het gebied van de logistiek en (lucht)havenbewegingen. Maar bovenal dient Curaçao zijn ooit internationaal vermaarde status als financieel dienstencentrum te koesteren. Terecht dat de sector de aandacht wil verleggen van postbussenfirma’s naar figuurlijke ‘rokende schoorstenen’ (bedrijfsactiviteiten met ‘substance’). Een gediversifieerde economie is het beste wapen tegen externe schokken en maakt het eiland weerbaarder - zeker in een situatie waarin Curaçao als land meer op eigen benen staat.










